Toestand der doden

Lees eerst het artikel: vijf feiten over de dood

 

Onderwerpen in dit artikel:
1. Is de ziel onsterfelijk?
2. Is het geloof dat de doden geen bewustzijn hebben, niet troosteloos?
3. Wat beloofde de Heer aan de moordenaar op het kruis?
4. Wie gelooft leeft toch, ook al is hij gestorven?
5. Hoe kun je het eeuwige leven hebben en toch dood gaan?
6. Wat te denken van het raadplegen van geesten van doden?
7. Sprak Saul te Endor met de gestorven Samuël?
8. Wat betekent het dat aan doden het Evangelie verkondigd is?
9. Wie zijn de geesten in de gevangenis?
10. Hoe kon de rijke man zijn ogen opslaan in het dodenrijk?
11. Heeft de Here Jezus bij Zijn hemelvaart het dodenrijk meegenomen?
12. Paulus beschouwde zijn sterven toch als winst?
13. Wat bedoelde Paulus met “ontbonden te wezen en met Christus te zijn”?
14. Hoe zit het met de verschijning van Mozes en Elia op de berg der verheerlijking?
15. Is Henoch nooit gestorven?
16. Is Elia nooit gestorven?
17. Hoe kunnen gestorven zielen van onder het altaar roepen?
18. Leven de aartsvaders nu?
19. Paulus verlangde toch het lichaam te verlaten en zijn intrek te doen bij de Here?
20. Ondersteunt de uitspraak van Jezus over “de ziel niet kunnen doden” de leer van de onsterfelijke ziel?
21. Hebben we geen wolk van getuigen om ons heen?
22. Bewijst Jesaja 14:9-11 niet dat doden wel bewustzijn en overleg hebben?
23. Spreekt Prediker niet slechts over “onder de zon” en dus niet over het onwaarneembare dodenrijk?

1.  Is de ziel onsterfelijk?

Nee. We komen in de Bijbel b.v. de volgende uitspraken tegen:

De ziel [Hebreeuws: nefesj] die zondigt, die zal sterven.
Ezechiël 18:4,20

Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.
Psalm 116:8; de NBG-vert. heeft ten onrechte ‘ziel’  met ‘leven’ vertaald
God formeerde de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus en alzo werd de mens een levende ziel
Genesis 2:7; SV

Wanneer de mens de levensadem weer uitblaast en weer terugkeert naar de aardbodem dan is hij een dode ziel geworden. “Dode zielen” is een uitdrukking die een paar keer in het boek Leviticus voorkomt (19:28, 21:1; helaas komt dit niet tot uitdrukking in de meeste vertalingen). Het idee van een onsterfelijke ziel komt rechtstreeks uit de Griekse filosofie en NIET uit de Schrift.

 

2. Is het geloof dat de doden dood zijn niet troosteloos?

De dood is als een slaap waaruit men zal ontwaken. Wanneer Paulus bedroefden aanschrijft over ontslapen gelovigen, dan meldt hij hen dat ze eenmaal (bij het klinken van de bazuin) zullen opstaan en met de achtergebleven levenden, de Heer tegemoet zullen gaan in de lucht. “Vertroost elkander met deze woorden” (1 Thessalonica 4:18; SV). Hij geeft dus niet de troost dat ze al bij de Heer zijn maar dat ze op een later tijdstip, gezamenlijk met vele anderen naar de Heer toe zullen gaan.

 

3. Wat beloofde de Heer aan de moordenaar op het kruis?

En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.
Lucas 23:43

In ISA staat dit vers als volgt weergegeven:

LUK23_43

Cruciaal in de lezing van deze tekst is de plaats van de komma. We moeten bedenken dat in de grondtekst geen komma’s staan. Verplaatsen we de in het Nederlands noodzakelijke komma (wat taalkundig volkomen verantwoord is), dan staat er niet “… Ik zeg u, heden zult gij …”, maar: “… Ik zeg u heden, gij zult…”. De misdadiger vroeg: gedenk mij als U in uw Koninkrijk komt. Wel, zegt ezus de man.: Ik zeg je heden: je zult met Mij in het Paradijs zijn.
Eén ding is zeker: Jezus ging op de dag dat Hij stierf NIET naar het Paradijs, want dat is boven (2Korinthe 12:2-4). Jezus ging naar “het dodenrijk beneden”, zegt de Schrift (vergl. Handelingen 2:31 en Jesaja 14:9).
Het Paradijs is gelegen in het Nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel zal nederdalen (vergl. Openbaring 2:5 en 22:2).

 

4. Wie gelooft leeft toch, ook al is hij gestorven?

Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?
Johannes 11:25,26

Nee, hier wordt niet gezegd dat de gestorvene leeft maar “zal leven”, nl. in de opstanding, want dát is het onderwerp waarover Jezus hier spreekt.

 

5. Hoe kun je het eeuwige leven hebben en toch dood gaan?

Het ‘eeuwige leven’ is het leven van de toekomende eeuw. Het ‘hebben’ daarvan is als het ‘hebben’ van een erfenis. Krachtens een testament kun je een erfenis hebben ondanks dat de daadwerkelijke ontvangst op een veel later tijdstip plaatsvindt. Zo is het ook met het ‘eeuwige leven’: de gelovige heeft het nu (de jure) maar ontvangt het (de facto) straks.

En Petrus zeide: Zie, wij hebben het onze prijsgegeven en zijn U gevolgd. En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of vrouw of broeders of ouders of kinderen heeft prijsgegeven om het Koninkrijk Gods of hij zal vele malen meer ONTVANGEN in deze tijd EN IN DE TOEKOMENDE EEUW HET EEUWIGE LEVEN.
Lucas 18:28-31

6. Wat te denken van het raadplegen van geesten van doden?

Van het raadplegen van gestorvenen wordt in de Schrift (o.a.) dit gezegd:

geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. Want ieder die deze dingen doet is de HERE een gruwel…
Deuteronomium 18:11,12
Zo stierf Saul, omdat hij de HERE ontrouw geweest was, omdat hij het woord des HEREN niet in acht had genomen, ja, zelfs de geest van een dode ondervraagd en geraadpleegd had, en niet de HERE had geraadpleegd.
1Kronieken 10:13,14

En wanneer men tot u zegt: Vraagt de geesten van doden en de waarzeggende geesten, die daar piepen en mompelen. Zal een volk niet zijn God vragen? Zal men voor de levenden de doden [vragen]?
Jesaja 8:19

Aangezien doden werkelijk dood zijn (= niets kunnen), moeten geesten die zich presenteren bij spiritistische bijeenkomsten wel een duistere achtergrond hebben. Dat verklaart ook de ongekend sterke afwijzing van spiritisme in de Schrift. Spiritisme brengt de mens in aanraking met leugengeesten (=demonen; 1Timotheüs 4:1). Wees gewaarschuwd: de leer dat doden niet echt dood zijn maar op een andere wijze voortleven, opent de deur voor spiritisme. Alle religies gaan uit van dit basis-gegeven en vormen om die reden een invalspoort voor demonen (1Korinthe 10:20).

 

7. Sprak Saul te Endor met de gestorven Samuël? *

De verschijning te Endor is een geval apart. Dat blijkt in het bijzonder uit het feit dat de de waarzegster “een luide kreet” slaakt, zodra zij de verschijning ziet (28:12). Wat ze zag, was ze kennelijk niet gewend in eerdere spiritistische seances. Heel opmerkelijk is het ook dat de vrouw als eerste opmerkt: “ik zie GOD opkomen” (NBG: bovennatuurlijk wezen”; Hebr. elohiem; 28:13). Dat het inderdaad God Zelf is, die de regie in handen neemt, blijkt ook uit het feit dat verschijning met precisie voorzegt wat de komende dag met Saul zou gebeuren. M.a.w. het is God Zelf die in Endor als Samuël verschijnt.

 

8. Wat betekent het dat aan doden het Evangelie verkondigd is?

Want daartoe is ook aan doden het evangelie gebracht, opdat zij wel, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden doch, naar God, wat de geest betreft, zouden leven.
1Petrus 4:6

Het evangelie wordt niet, maar werd aan doden gebracht. In hun leven namelijk. Petrus spreekt hier over mensen die tijdens hun leven het Evangelie hebben gehoord maar inmiddels zijn gestorven. Mensen oordeelden hen naar het vlees maar voor God zullen ze leven. In hfst.3:18 wordt van Christus gezegd dat Hij gedood is naar het vlees, maar levendgemaakt is naar de geest.
In het voorgaande vers (4:5) wordt gesproken van “Hem die gereed staat om levenden en doden te oordelen”, d.w.z. zij die nu levenden en doden zijn. Ter gelegenheid van het oordeel worden de doden namelijk allen opgewekt. Zo is het ook met “aan doden het evangelie gebracht”. Het gaat om hen die nu doden zijn, maar aan wie ooit het evangelie gebracht werd, toen zij namelijk nog leefden.

 

9. Wie zijn de geesten in de gevangenis?

…Hij (=Christus), die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach…
1Petrus 3:18-20

Nergens in de Bijbel worden mensen ‘geesten’ genoemd. Petrus verwijst hier naar “de zonen Gods” die gemeenschap hadden met “de dochters der mensen” (Genesis 6:1-4). Deze vermenging van hemelwezens en mensen is de directe aanleiding tot de zondvloed in de dagen van Noach. In Judas:6 wordt ook aan deze geesten gerefereerd met de mededeling: “engelen die hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten”. Sinds het oordeel van de zondvloed (waarin alle mensen omkwamen) worden deze geesten in verzekerde bewaring gehouden. Ook in 2Petr.2:4 wordt naar deze geesten verwezen. Na zijn opstanding heeft Christus zijn triomf ook aan hen geproclameerd.

10. Hoe kon de rijke man zijn ogen opslaan in het dodenrijk?

Ook de rijke stierf en hij werd begraven. En toen hij in het dodenrijk zijn ogen opsloeg onder de pijnigingen, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot.
Lucas 16:23

Wanneer we dit gedeelte letterlijk zouden moeten nemen, dan is het in regelrechte strijd met b.v. Prediker 9:10, waar uitdrukkelijk staat, dat er géén werk of overleg of kennis is in het dodenrijk. Hier slaat iemand immers zijn ogen op in het dodenrijk en voert uitgebreid overleg.

Wanneer we dit gedeelte letterlijk opvatten dringen zich de volgende klemmende vragen aan ons op:
* hebben mensen in het dodenrijk (dus vóór de opstanding!) reeds een lichaam? (We lezen immers van pijn, ogen, tong, vinger, etc.)
* zo ja, waartoe dient dan nog de opstanding?
* zijn er in het dodenrijk letterlijk vlammen?
* wordt er vanuit het dodenrijk gecommuniceerd met degenen die zich aan de goede zijde bevinden?
* hebben de rechtvaardigen in de vertroosting (!?) uitzicht op de pijnigingen in het dodenrijk?
Al deze vragen verdwijnen als sneeuw voor de zon wanneer we inzien, dat hier een gelijkenis wordt verteld (zoals al drie keer eerder in hoofdstuk 15 en 16 – zie 15:1). Een gelijkenis is geen verhaal dat iets verduidelijkt maar maar juist waarheden verbergt (Matteüs 13:13).

Zie uitgebreid: de rijke man en Lazarus

terug naar de vragenlijst

11. Heeft de Here Jezus bij Zijn hemelvaart het dodenrijk meegenomen?

Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen.
Efeze 4:8

Dat het hier zou gaan om mensen die vanuit het dodenrijk meegevoerd zijn naar de hemel is een verklaring die hier vaak wordt ‘ingelezen’. Het verband van Efeze 4 wijst in een andere richting. De krijgsgevangenen (de gevangenis) staat hier voor de Gemeente, die de positie van Christus deelt in “den hoge”.
In Efeze 4:1 schrijft Paulus: “als gevangene in de Heer vermaan ik u…”.

 

12. Paulus beschouwde zijn sterven toch als winst?

…dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nu Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin.
Filippi 1:20,21
Het gaat hier om de winst voor Christus. Christus zou worden grootgemaakt in Paulus’ dood.
Trouwens, ook voor de gelovige is sterven (indirect) winst, want het eerstvolgende bewuste moment zal de bazuin klinken! Het is ogen sluiten en weer openen… ook al zouden er op aarde ondertussen duizenden jaren verlopen.

13. Wat bedoelde Paulus met “heen te gaan en met Christus te zijn”?

Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht en wat ik moet (lett. zal) kiezen, weet ik niet (lett. maak ik niet bekend). Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil.
Filippi1:21-24

Paulus spreekt eerst over twee mogelijkheden: in leven blijven of te sterven. Waaraan hijzelf de voorkeur geeft schrijft hij niet. Wat hij wel bekend maakt is dat: hij verlangt heen te gaan en met Christus te zijn. Dit laatste is verreweg het beste. Met “heen te gaan” (Grieks: ana’luo) kan Paulus dus onmogelijk het sterven bedoelen. Deze derde optie doelt op het moment dat de Here Jezus Christus vanuit de hemelen zal komen, en ons vernederd lichaam gelijkvormig zal maken aan Zijn verheerlijkt lichaam (Fillippi 3:20,21). Dát is ‘het heengaan en met Christus zijn’, waarover het in Filippi 1:23 gaat.

 

14. Hoe zit het met de verschijning van Mozes en Elia op de berg der verheerlijking?

Jezus noemt het tafereel na afloop een “gezicht” (17:9). Het is hetzelfde woord (Gr. horama) als wat in Hand.10:17 gebruikt wordt voor het visioen dat Petrus kreeg toen hij op het dak in gebed was.We moeten ons realiseren dat wanneer Mozes en Elia reeds verheerlijkt in de hemel zouden zijn, dat Christus dan geen Eersteling is en evenmin als Enige momenteel onsterfelijkheid bezit (1Korinthe 15:23; 1Timotheüs 6:16).

 

15. Is Henoch nooit gestorven?

Door het geloof is Henoch weggenomen (lett. overgezet) zodat hij de dood niet zag (SV: opdat hij de dood niet zou zien), en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen (lett. overgezet).
Hebreeën 11:5

Henoch werd overgezet (hetzelfde woord als in Handelingen 7:16: “overgebracht”) opdat hij de dood niet zou zien. Als er staat dat Henoch werd overgezet zodat hij de dood niet zou zien, dan kan het hier niet gaan om een natuurlijke, ouderdoms dood, want daar was hij nog láng niet aan toe (hij was nog lang niet op de helft van de leeftijd die z’n zoon zou bereiken). Henoch werd dus kennelijk overgezet om hem te bewaren voor een geweldadige dood. De goddeloze mensen tegen wie Henoch profeteerden (zie Judas: 14,15), zochten hem te doden en met het oog daarop heeft God hem overgezet of verplaatst. Het gaat er dus niet om dat Henoch nooit de dood zou zien, maar dat God hem spaarde voor een vroegtijdige, geweldadige dood. Henoch verdween. Waarheen weten we niet. Wel weten we dat ook hij uiteindelijk is gestorven. Immers, in Hebreeën 11:13 wordt gezegd: “in dat geloof zijn DEZE ALLEN gestorven”. Dus ook Henoch. Het is uitgesloten dat Henoch ten hemel is gevaren, want “NIEMAND is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen” (Johannes 3:13).

 

16. Is Elia nooit gestorven?

Er is een belangrijke aanwijzing dat Elia net als Henoch is overgezet en weer is terug gekeerd op aarde. Ga maar na: Elia’s ten hemelopneming vond plaats toen Josafat regeerde over Juda (2Koningen 3:11,12). Als diens zoon Joram later koning wordt in zijn plaats (2Kronieken 21:1) ontvangt deze een brief:

Toen kwam er een schrijven tot hem VAN DE PROFEET ELIA, dat luidde: Zo zegt de HERE, de God van uw vader David: omdat gij niet gewandeld hebt in de wegen van uw vader Josafat en ….
2Kronieken 21:12

Conclusie: Elia is kennelijk verplaatst door de atmosfeer naar een oord op aarde (waar we verder niets van weten) en heeft vandaaruit jaren later een brief geschreven aan koning Joram.
Jezus’ expliciete statement dat niemand ten hemel is gevaren dan ALLEEN de Zoon des Mensen, blijft dus recht overeind staan. En ook die van Paulus: “de dood is doorgegaan tot ALLE mensen” (Romeinen 5:12). Ook tot Elia.

 

17. Hoe kunnen gestorven zielen van onder het altaar roepen?

En toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden. En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? En aan elk hunner werd een wit gewaad gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals zij.
Openbaring 6:9-11

We lezen hier over zielen onder het altaar die geslacht waren en die roepen. Het zijn met recht ‘slachtoffers’. Onder een letterlijk altaar wordt letterlijk bloed van offers gezien. Maar in dit visioen is sprake van een figuurlijk altaar en daar wordt geen bloed, maar worden zielen gezien. Dat is in het Bijbels spraakgebruik synoniem.

Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel…
Leviticus 17:11

Bloed kan ook ‘spreken’.

En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem.
Genesis 4:10
… en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel.
Hebreeën 12:24

Het roepen om wraak van de zielen onder het altaar (in Openbaring 6) kan hetzelfde verstaan worden als het bloed van Abel dat destijds ook ‘riep’. Niet letterlijk dus, maar figuurlijk.

 

18. Leven de aartsvaders nu?

Maar DAT DE DODEN OPGEWEKT WORDEN, heeft ook Mozes bij de braamstruik aangeduid, waar hij de Here noemt de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob. Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven zij allen.
Lucas 20:37,38

Jezus toont deze Sadduceeën (die de opstanding loochenen; Handelingen 23:8) vanuit de Torah aan, dat de doden opgewekt zullen worden. Immers, de Here noemt Zich nog steeds de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, ook nu deze mannen reeds lang overleden zijn. Voor God leven deze mannen, ook al ‘slapen’ zij op dit moment. Straks zullen zij uit de ‘slaap’ worden gewekt (vergl. Johannes 11:11-13). Jezus’ statement heeft betrekking op de opstanding en niet op een tussentoestand tussen sterven en opstanding.

 

19. Paulus verlangde toch het lichaam te verlaten en zijn intrek bij de Here te nemen?

maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen.
2Korinthe 5:8

Met “het lichaam” bedoelt Paulus dít lichaam, de aardse tent waarin we thans wonen. Twee verzen eerder immers lezen we:

Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn
2Korinthe 5:6

In dit gedeelte is sprake van twee woningen: (1)”de aardse tent waarin we wonen” en (2) een “eeuwig huis” (5:1), dat is het nieuwe lichaam. Paulus verlangde ernaar om “met onze woonstede vanuit de hemel overkleed te worden” (5:2), d.w.z. veranderd te worden van sterfelijk naar onsterfelijk, zonder te hoeven sterven. In het geval van dood-gaan zou hij “naakt bevonden worden” (5:3-5) d.w.z. zonder bekleding (=lichaam) zijn. Paulus verlangde zijn intrek bij de Here te nemen en in zijn “eeuwig huis” (=in zijn nieuwe lichaam) te gaan wonen.

 

20. Ondersteunt de uitspraak van Jezus over “de ziel niet kunnen doden” de leer van de onsterfelijke ziel?

En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel [Gr. psuche] niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel [Gr. Gehenna = dal van Hinnom].
Matteüs 10:28

Bij vraag 3 hadden we reeds gezien dat de Bijbel op heel wat plaatsen spreekt van stervende en dode zielen. Dat is de objectieve kant.
Bezien echter vanuit de perceptie (de psyche) van degene die sterft valt het antwoord echter heel anders uit. In de subjectieve beleving ‘bestaat’ de dood niet. Sterven én opstanding vinden plaats in een fractie van één seconde.

Als de discipelen omgebracht zouden worden, zouden ze (in hun beleving – de ziel) het volgende moment ontwaken in de heerlijkheid van de toekomende eeuw. In tegenstelling tot hen die in het vrederijk geëxecuteerd zullen worden (zie laatste vers Jesaja). Zij zullen niet slechts omgebracht worden maar ook de glorie van de toekomende eeuw moeten missen, vervolgens (bij de Grote Witte Troon) opstaan ten oordeel en een tweede dood sterven.
Voor Hem die daartoe in staat is, zou men vrezen.

 

21. Hebben we geen wolk van getuigen om ons heen?

Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die voor ons ligt.
Hebreeën 12:3

Sommigen concluderen uit dit vers, dat al de mensen die in Hebreeën 11 genoemd zijn, getuigen zijn van ons doen en laten. Dat is een misverstand. Een getuige is hier niet een waarnemer maar iemand met een getuigenis. En van getuigenissen is in het voorgaande hoofdstuk een indrukwekkende hoeveelheid voorbeelden gegeven. Nog steeds hebben deze allen het beloofde niet verkregen en zij zullen de volmaaktheid niet zonder ons bereiken (11:39,40). Al de genoemde gelovigen zijn dus nog steeds in doodsrust en kunnen ons vanuit hun positie welliswaar niet waarnemen maar spreken desondanks, zelfs nadat zij gestorven zijn (vergl. Hebreeën 11:4). En dáárom zijn zij een wolk van getuigen rondom ons.

 

22. Bewijst Jesaja 14:9-11 dat de doden wel bewustzijn en overleg hebben?

Nee, Jesaja schrijft hier een “spotlied” gaat (NBG 14:4). In vers 8 zegt Jesaja dat de cypressen zich verheugen en dat de ceders van de Libanon zich uitspreken tegen de koning van Babel. Uiteraard is dit symboliek. Pal daarop zegt Jesaja dat zelfs het dodenrijk in beroering zou geraken en koningen zouden opstaan, zodra de koning van Babel daar zijn intrede zou doen. Het karakter van beeldspraak en satire ligt er dik bovenop. Realistisch wordt het Jesaja weer als hij zegt: “het gewormte ligt onder u gespreid en maden zijn uw bedekking” (14:11).

23. Prediker spreekt toch slechts over zaken “onder de zon” en niet over het onwaarneembare dodenrijk?

Toch wel. De Prediker doet wel degelijk expliciete uitspraken over “het dodenrijk waarheen gij gaat” (9:10). DAAR is “geen werk of overleg of kennis of wijsheid”. Alleen onder Goddelijke inspiratie kon hij hierover “woorden der waarheid” (12:10) optekenen.

bron: www.goedbericht.nl