De wederkomst versus de verschijning van Jezus.
(De Bijbelverzen zijn uit de NBG-vertaling, tenzij anders aangegeven)
De meeste van alle orthodoxe christenen erkennen het feit dat de Heer Jezus Christus zal wederkomen. Sommigen zien het feit dat Hij op de Olijfberg zal komen. Anderen zien een extra facet van Zijn komst en dat is Zijn komst in de regionen van de lagere atmosfeer, op welk moment een aantal heiligen zal worden opgenomen om de Heer te ontmoeten in de lucht.
Sommige orthodoxe gelovigen zien alleen het eerste; de meer fundamentele gelovigen zien zowel het eerste als het laatste. Het laatstgenoemde heet dan de opname, dat overigens geen Schriftuurlijke woord is.
Toch zijn er twee fasen of aspecten van de tweede komst van de Heer. Beide fasen worden gerelateerd aan de komst van de Heer. Het is bij de komst van de Heer dat beide aspecten zullen worden afgerond. Toen de Heer Jezus Christus werd opgenomen in de hemel, stonden er twee engelen bij de discipelen, die zeiden:
“Mannen van Galilea, wat staan jullie naar de hemel te staren? Deze Jezus, die van jullie opgenomen is in de hemel, zal op dezelfde manier terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan.”
Deze definitieve verklaring verbindt de profetie van Zacharia 14: 4 met de tweede komst van de Heer. We lezen in Zacharia: “Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts…”
De Heer Jezus Christus zal terugkeren naar deze aarde, naar de plek waar Hij haar verliet, de Olijfberg (zie Handelingen 1:12). Opgemerkt dient te worden dat gedurende de Pinksterbedeling dit beaamd werd. In het derde hoofdstuk van Handelingen, vertelt Petrus de mannen van Israël, dat als ze hun houding ten opzichte van Jezus Christus van Nazareth zouden veranderen, God Hem terug zou sturen vanuit de hemel en het langverwachte Koninkrijk zou worden hersteld voor Israël (zie Handelingen 3:19-26).
Voor de instelling van dit Koninkrijk was het noodzakelijk dat Jezus Christus zou terugkeren naar deze aarde. Dus aan het begin van de Handelingen van de apostelen is te zien dat de druk is de terugkeer van de Heer uit de hemel naar de aarde. Dit wordt aangeduid als Zijn komst. Dat wil zeggen: Hij verlaat de hemel en komt naar de aarde. Dit is waar de heiligen naar uitkeken in de Handelingenperiode.
Vastgesteld moet worden dat de komst nauw verwant is aan het Koninkrijk. Dit werd beaamd gedurende de hele Handelingenperiode. Van de hoop van het Koninkrijk was men duidelijk doordrongen van Handelingen 2 tot Handelingen 28. De hoop van het Koninkrijk gaat gelijk op met de wederkomst van de Heer, Zijn tweede komst. Alle brieven geschreven tijdens de Handelingenperiode hebben betrekking op Zijn komst.
Echter, na Handelingen 28:28, zien we dat de apostel zeven andere brieven schrijft en er is een heel duidelijke weglating van de verwijzing naar de komst van de Heer. Deze studie wil aantonen dat als woorden enige betekenis hebben en dienen te worden bestudeerd, opdat God ons Zijn waarheid bekend maakt, we dan moeten erkennen dat Paulus in zijn laatste brieven niet verwijst naar de komst van de Heer. Er blijkt een duidelijke weglating van de woorden komen en komst in de laatste zeven brieven van Paulus.
De laatste zeven brieven maken tegenwoordige waarheid bekend. Dat zijn Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen, Filémon, 1Timotheüs, Titus, en 2Timotheüs. In deze brieven maakt de apostel de huidige roeping bekend van de gemeente die het Lichaam van Christus vormt. Hier leren we ook wat de “ene hoop” (Efeziërs 4: 4) van haar roeping is. Er wordt nergens gezegd dat die verbonden is aan enige actie van de kant van de Heer. Hij is veeleer verbonden met Zijn manifestatie (openbaring) in heerlijkheid. De Schrift spreekt erover als Zijn verschijning.
Vóór Handelingen 28:28 verwachtten de gelovigen de komst (naar de aarde) van de Heer. Na Handelingen 28:28 zouden de gelovigen de verschijning van de Heer in de heerlijkheid van “boven al de hemelen” (Efeziërs 4:10) moeten verwachten.
Echter, het falen van de christenen in het recht snijden van het Woord der Waarheid heeft geresulteerd in verwarring over wat de echte hoop van de gelovige is in deze bedeling van de genade van God. Ze lijken zich vast te klampen aan de hoop die aan de kant gezet is, die vandaag de dag zelfs niet eens beschikbaar is.
De Pinkstergelovigen zouden uitkijken naar de komst van de Heer. Maar toen in de bedelingen de crisis zich voordeed waarin Israël Lo-Ammi werd (= niet Gods volk, Hosea 1:9) in Handelingen 28:28, werd de terugkeer van de Heer onmogelijk. Hij wacht niet langer op Israëls bekering, maar nu, na Handelingen 28:28, troont Hij als de hoogst Verhevene, Die Hoofd is over alle dingen voor de gemeente die Zijn Lichaam is, het complement van Hem Die het al in allen completeert (Efeziërs 1:22-23).
In de hoedanigheid van het Hoofd van de gemeente die Zijn Lichaam is, blijft Hij als zodanig tot het moment dat deze gemeente boven wordt ontvangen in heerlijkheid en daar gemanifesteerd wordt met Hem in de hemelse gewesten.
Herstel van Israël
De Heer Jezus Christus zal Zijn omgang met Israël weer hervatten. Op dat moment zal Zijn terugkeer naar de aarde de hoop zijn van Israël, evenals van die gelovige heidenen die gerekend worden tot het zaad van Abraham en die erfgenamen zijn naar de belofte (Galaten 3:29).
Veel christenen die de scheidslijn tussen de bedelingen in Handelingen 28:28 niet zien, verwarren de twee verschillende hopen (verwachtingen) en maken er één van. Ons wordt duidelijk gezegd dat er in déze bedeling slechts EEN HOOP is (Efeziërs 4:4). Zij die het Woord der Waarheid recht snijden zien het verschil tussen de verschijning van de Heer in heerlijkheid en de komst van de Heer.
De Nieuwtestamentische brieven die geschreven werden gedurende de Handelingen der apostelen spreken allemaal van de wederkomst van de Heer. De Heer Die afdaalt van de hemel met een commando, de stem van de aartsengel en de bazuin van God (1Thessalonicenzen 4:14-17) spreken allemaal van de komst van de Heer. Om te kunnen afdalen van de hemel moet Hij de hemel verlaten en komen. Dat was de hoop van de gelovigen in de periode die beschreven wordt in het boek Handelingen. Let op de vele verwijzingen naar komen en komst in de brieven uit die periode.
Verwijzingen naar Zijn tweede komst in de brieven van het Nieuwe Testament – komen en komst
1Korinthiërs 4:5 – “Daarom, velt geen oordeel vóór de tijd, dat de Here komt…”
1Korinthiërs 11:26 – “Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt Gij de dood des Heren, totdat Hij komt.”
1Korinthiërs 15:23 – “Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als Eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij Zijn komst…”
1Thessalonicenzen 2:19 – “Want wie is onze hoop of blijdschap of erekrans voor onze Here Jezus bij Zijn komst, wie anders dan gij?”
1Thessalonicenzen 3:13 – “…om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Here Jezus met al Zijn heiligen.”
1Thessalonicenzen 4:15 – “Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan.”
1Thessalonicenzen 5:23 – “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele
onberispelijk bewaard te zijn.”
2Thessalonicenzen 1:10 – “Wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen die tot geloof gekomen zijn…”
2Thessalonicenzen 2:1 – “Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem.”
2Thessalonicenzen 2:8 – “Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here [Jezus] doden door de adem Zijns monds en machteloos maken door Zijn verschijning , als Hij komt.”
Jacobus 5:7 – “Hebt dus geduld, broeders, tot de komst des Heren…”
Jacobus 5:8 – “Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij.”
2Petrus 1:16 – “Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit.”
2Petrus 3:4 – “…en zeggen: Waar blijft de belofte van Zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is.”
Verwijzingen naar Zijn tweede komst in de evangeliën – komen en komst
Mattheüs 16:27 – “Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden.”
Mattheüs 16:28 – “Voorwaar zeg ik u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in Zijn koninklijke waardigheid.” (“in Zijn Koninkrijk”– Statenvertaling)
Mattheüs 24:3 – “Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen Zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons wanneer dat zal geschieden en wat is het teken van Uw komst en van de voleinding van de wereld [letterlijk: eeuw]?”
Mattheüs 25:31 – “Wanneer dan de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaatsnemen op de troon Zijner heerlijkheid.”
Marcus 13:26 – “En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid.”
Marcus 14:62 – “En Jezus zeide: Ik ben het, en gij zult de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende met de wolken des hemels.”
Johannes 14:3 – “…en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.”
Johannes 14:28 – “Gij hebt gehoord dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen en kom tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt gij u verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga, want de Vader is meer dan Ik.”
Lucas 19:13 – “En hij riep tien van zijn slaven en gaf hun tien ponden en zeide tot hen: Drijft handel, totdat ik terugkom.”
Lucas 21:27 – “En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid.”
Gedurende de gehele Handelingenperiode verwachtten de gelovigen de terugkeer van de Heer Jezus Christus uit de hemel. Sommigen zouden worden veranderd, onsterfelijkheid aandoen, en omhoog worden gehaald om de terugkerende Heer tegemoet te gaan in de lucht. Zij zouden Hem begeleiden naar de Olijfberg. Paulus koesterde deze hoop tijdens de Handelingenperiode (zie 1Thessalonicenzen 4:4-17 en 1Korinthiërs 15:51-55).
Echter, toen Israël aan de kant was gezet, luidde God een nieuwe bedeling in (Handelingen 28:28) en daarmee vernam de apostel Paulus dat de bestemming van de nieuwe groep geroepenen was: opgenomen worden in heerlijkheid. Verbonden met die nieuwe roeping is de verschijning.
Doorzoek de brieven die geschreven zijn na Handelingen 28:28 en u zult geen enkele vermelding vinden van de wederkomst van de Heer. Als hij de hoop van de gemeente beschrijft, die Christus’ Lichaam is, gebruikt Paulus niet de woorden komst of komen. In plaats daarvan kiest hij, onder de inspiratie van God, voor de woorden verschijnen en verschijning.
Als woorden, die de heilige Geest gebruikt om te onderwijzen, iets te betekenen hebben, dan is er veel dat wij kunnen leren. We leren dat de gelovige in de bedeling van de genade van God (Efeziërs 3:2) naar iets anders uitziet dan de komst van de Heer. De hoop van de gelovige is nu verbonden met de verschijning van de Heer in heerlijkheid.
Kolossenzen 3:3 – “Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God.”
Kolossenzen 3:4 – “Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.”
Dat betekent dat wanneer de Heer Jezus Christus verschijnt in de hemelse gewesten, de leden van Zijn Lichaam daar met Hem zullen verschijnen. Maar wanneer Hij gemanifesteerd is (geopenbaard is) in de hoogste heerlijkheid, dan zullen de leden van dit Lichaam met Hem worden gemanifesteerd in dat gebied. Niet in de lagere atmosfeer, of in de wolken, maar “boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij…” (Efeziërs 1:21), “ver boven alle hemelen” (Efeziërs 4:10).
1Timotheüs 6:14 – “dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Here Jezus Christus.”
2Timotheüs 4:1 – “Ik betuig u nadrukkelijk voor God en Christus Jezus, die levenden en doden zal oordelen, met beroep op Zijn verschijning [niet Zijn komst] als op Zijn koningschap.”
2Timotheüs 4:8 – “voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige Rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning [niet Zijn komst] hebben liefgehad.”
Titus 2:13 – “verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus.”
Het zou luid en duidelijk moeten zijn dat er inderdaad een verschil is tussen de woorden komen, komst en verschijnen, verschijning. De eerste twee woorden vertellen hoe de Heer Jezus Christus een plaats verlaat, namelijk de hemelen, en naar een andere plaats gaat, namelijk de lagere atmosfeer. Daar zullen sommige heiligen Hem ontmoeten en Hem begeleiden terug naar de aarde, namelijk de Olijfberg.
Terwijl de andere reeks woorden geen enkele beweging van de kant van Christus te kennen geeft, maar gewoon een manifestatie (dat is zichtbaar verschijnen aan de hemelse wezens, voor wie Hij nu afgeschermd is). Wanneer Hij verschijnt aan deze wezens in hemelse plaatsen (dat is in heerlijkheid) zal de gemeente van deze bedeling “met Hem verschijnen” in dat gebied “ver boven alle hemelen”. Want Zijn gemeente, die Zijn Lichaam is heeft aan deze wezens de “veelkleurige wijsheid Gods” bekend gemaakt (Efeziërs 3:10).
Wij krijgen de opdracht om “recht te snijden” en “te onderscheiden waarop het aankomt”. De twee hopen (verwachtingen) moeten dus correct geanalyseerd worden. De ene behoort aan de Pinkstergemeente, de andere aan de gemeente die het Lichaam van Christus is. De twee hopen moeten onderscheiden worden om te weten waarop het aankomt (Filippenzen 1:10; Romeinen 2:8).
Alleen de gemeente die Christus’ Lichaam is heeft de belofte van het genieten van de hemelse gewesten. Geen enkele andere groep van Gods verlosten heeft zo’n heerlijk voorrecht, want de hemelse gewesten zijn niet alleen maar een plaats van pracht en praal. God is de Vader van de plaats
van Heerlijkheid (Efeziërs 1:17). Heerlijkheid zal de toekomstige verblijfplaats zijn van de gemeente die Zijn Lichaam is.
De verschillen zijn duidelijk getekend in het Woord van God tussen de komst en de verschijning. Moge de Vader der heerlijkheid u de geest van wijsheid en openbaring geven en verlichte ogen om te zien wat de hoop is van de roeping van het Lichaam waarvan Christus Jezus het Hoofd is.